is toegevoegd aan uw favorieten.

Algemeene vaderlandsche letter-oefeningen, waarin de boeken en schriften, die dagelyks [...] uitkomen, oordeelkundig [...] verhandeld worden.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

434

IETS TER GEDACHTENIS

geleerdheid (telde, de betrekking, waarin hy ftond aU mensch , had altyd den voorrang. Hy had een goede» fmaak, en was zoo juist in het oordeelen over zaaken, dat zoo wel zyne tegenparty, als zyne vrienden, by rypere overweeging, niet konden nalaaten hem by te treden. In zyne Schriften bleven echter altyd nog fpooren overig van het tydperk, waarin hy opgevoed en gevormd was ; de gedaante, waarin alles te voorfchyn kwam , droeg duidelyke kenmerken van de eerfte fchemering van licht, dat over onze Vaderlandfche Literatuur opgegaan is. Menigvuldige ontydige invallen en nevengedachten , waarvan hy te rykelyk voorzien was , om ze geheel te kunnen onderdrukken , en gebrek aan genoegzaame naauwkeurigheid en gepastheid van uitdrukkingen, kan men in 'tgene, dat hy gefchreven heeft, met recht btr spen.

Als Godgeleerde dacht hy helder en waarlyk opgeklaard;, maar was geheel af keerig, om anderen zyne rypere inzichten op te dringen, en nam, uit zucht voor de rust zyner_ medemenfchen , eene beminnenswaardige befcheidenheid in acht, wanneer hy zelfs op de vrymoedigfte wyze zyne gedachten uitte. Hy verfoeide allen

feest van partydigheid en fchoolfche onverdraagzaameid, en wilde zich nimmer in gefchillen over woorden ïnlaaten. Wanneer hy iets van dié natuür ontdekte, kon hy zelden zyn misnoegen geheel verbergen. Met de oprechtfte hoogachting van liberale Godgeleerden, en de warmfte erkentenis van hunne verdienften voor de zedelykheid en menfchelyke gelukzaligheid, oordeelde hy , dat de voorzichtigheid en omftandigheden van den tyd aanraadden, om in zaaken , die de Godgeleerdheid en den Godsdienst betreffen,een middelweg te houden, en den toon in de Annalen der Theologifchen Litieratur daarnaar fteeds in te richten, alhoewel hem deswegens, van veele kanten, van tyd tot tyd zeer bittere, en dikwyls waarlyk beleedigende, verwytingen gedaan zyn. Met dit door hem aangelegd Tydfchrift had hy zeer veel op, en had al lang fchikkingen gemaakt, om het ook na zyn dood te doen voortzetten, het geen hy ook werkelyk aan den ondergefchrevenen, die het nu onafgebroken laat voortgaan, heeft opgedraagen.

De kracht der overtuigingen , die by den Vereeuwigden hadden postgevat, zyn bevestigd door de rust, waarmede hy zyne langzaame ontbinding te gemoet zag; door

de