Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DANiëL, ENZ. 149

„ Toen Ifraêl een kind . Hoofdft. ,, Nog was, had 'k hem reeds lief. XI. „ Myn Zoon riep 'k uit Egypten. vs. 1.

„ Hoe meer men hen ooit riep, 2. „ Hoe meer zy zich van my

„ Verwyderden zy brachten

„ Hun offers aan de Baak, „ Hun wierook rookten zy „ Voor hunne afgodsbeelden. „ Ik zelv' heb Efrsim, g. „ Dit kind, toen leeren gaan, „ Ik nam hen op myn' armen: „ Maar zy erkenden niet, Dat ik hun helper was. „ Ik hield aan kinderbanden, 4. „ Aan liefdekoorden , hen. ,, Ik handelde met hen, „ Gelyk men eenen muilband „ Aan eenig beest ontneemt; Terwyl 'k, in overvloed » En mild, zyn voedzel reikte.

„ Hy moet maar weder na» 5. „ Egypte in balüngfchap, ,, En Asfur zal zyn Koning „ Nu wezen, omdat zy „ Geftadig weig'rig zyn , „ Om tot my weêr te keeren. „ Het oorlogszwaard zal dan 6. Huisvesten in zyn' fteên, » Zyn' grendelen verbryz'Ien; „ Dus zullen zy de vrucht „ Genieten van hun plans. „ Myn volk blyft fteeds onzeker, ji ,. Afkeerig jegens my; „ Men roept hen wel tot God, Maar niemand roemt myn hoogheid.

Zou ik, 6 Efraim! t. „ U leveren ten prooi f „ U, Isrel\ overgeven? „ Zou ik als Adama „ U maaken? Zou ik u „ Als Zeboim verwoesten ? „ Myn hart keert in my omj „ Myn zuchten zyn in my „ Verhit door mededoogen. „ 6 Neen! ik zal den gloed m. j, Van mynen feilen toorn

K 3 „ Niei

Sluiten