is toegevoegd aan uw favorieten.

Algemeene vaderlandsche letter-oefeningen, waarin de boeken en schriften, die dagelyks [...] uitkomen, oordeelkundig [...] verhandeld worden.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het leeven van catharina de II. 447

vallen, als rechtftreeks (trekkende om den befchreeven Perfoon niet naar waarheid,maar op het gundigfte, te verbeelden; ons, gelyk wy ons herinneren ergens geleezen te hebben, het Pourtrait van een éénoogigen alleen van die zyde te vertoonen,welke het oog niet derfde. Waarheid is, en moet, naar allen regt, het hoofddoel der Gefchiedenis en Leevensbefchryvers blyven; waar deeze met opr zet verzweegen wordt, leest men niet, wat ter bevorde. ring van Wereld- en Menschkunde dient geweeten te worden. Plutarchus, en hoe veele Naavolgers heeft hy, ten deezen opzigte, niet gehad, die hem zelfs in verzagtingen en vergoelykingen voorby dreefden ? is, onzes oordeels, hier te verre gegaan. Doch men loopt bykans altoos in uiterden: het heeft aan geene Leevensbefchryvers ontbrooken, die alleen , of grootlyks, op leemten en gebreken aasden , en hun werk maakten om de zwartde l'childeryen te maaken ; waar toe zy , tot fchande deu menschlyke natuure, maar al te veelvuldige gelegenheid vonden; en die niet konden misfen aan te treffen, als het Vorstlyke Perfoonen goldt — Perfoonen, wier gebreken, in grootheid, den rang, welken zy bekleeden, ongelukkig maar al te zeer op zyde dreefden. Waar by toekomt, dat de (tem der vleijerye , by derzelver leeven hoogklinkende, naa hunnen dood door die der veragtinge overfchreeuwd wordt.

Deeze gedagten kwamen by ons op, naa het doorleezen van het Eerde Deel des Leevens eener Vor(tinne, wier roem ons weleer met fchelle toonen in de ooren klonk. In den voorleden Jaare gaven wy onzen Leezeren een verflag. van de Gefchiedenis of Anecdotes der Rus/ifche Omwentelinge , in den Jaare 176a, door rtjlhiere (*), geenzins gefchikt om ons hoog van catharina de II te doen denken; in die begrippen zal men verfterkt worden door het Leeven deezer Alleenheerfcheresfe aller Rusfen, 't geen wy thans aankondigen.

Was het evengemélde Werk van rtjlhiere zonderling in herkomfte, dit ftaat 'er mede gelyk, behalven dat het tegenwoordige een mengzel uitmaakt,'t welk, ondanks 't geen de Schryver des in zyne Voorreden zegt, ons niet bevalt. Hy vermeldt ons: „ Het begin van dit Werk is, ten „ aanziene van de manier, waar op het is ingericht

„ ver--

(*) Zie onze Lett. voor 1798, bl. 178.