Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

$t9 j. van voorst

Gefchiedenis van derzelver Leerftukken, en maakte , op i den iften van Zomermaand deezes jaars, eenen aanvang; van zynen nieuwen dienst, door het doen eener Reden- • voeringe over het voorzichtig maar tevens met eenen vryen i geest beoefenen der oude Christen Schryveren. Van deeze moeten wy hier eenig bericht geeven.

Na in de Inleiding zyn genoegen verklaard te hebben over zyne beroeping tot eenen post, gelyk dien, welken de deerlyke toeftand der zaaken te Franeker hem voor twee jaaren had doen verlaaten, komt de Hoogleeraar tot zyn onderwerp.

Door oude Christen Schryveren verftaat hy (*), die, van het begin van den Christelyken Godsdienst tot op de tyden der Hervorminge in de zestiende Eeuwe , de gedachtenis der dingen , welke tot de zaak van dien Godsdienst behooren , tot ons hebben overgebragt; niet alleen de Oudften, die vóór euskbius leefden, maar ook die laater, ieder op zyne wyze, de Leer, Inftellingen, Plechtigheden , enz. der Christenen van voorgaande tyden, of opzetlyk te boek gebragt, of in het voorbygaan hebben aangeroerd en opgehelderd.

De nuttigheid van het beoefenen deezer Schryveren (hoezeer fommigen by de melding daarvan den neus oplchorten) wordt vervolgens aangetoond, zo met betrekkinge tot andere ftukken, als wel voornaamelyk met opzicht op de Gefchiedenisfen , zo Kerkelyke als Waereld. lyke , op de Gefchiedenis van Konften en Weetenfchappen , op de Kennis der Christelyke Oudheden, en in het byzonder op de Godgeleerdheid : niet alleen wat aanbelangt den vorm der Christelyke Leere, maar ook in het beoordeelen en behandelen dier Gefchilftukken, welke de Christenen onderling zo deerlyk verdeelen, en waaromtrent de eene party zonder ophouden zich beroept op Kerkelyke Overleveringen , waarvan men geen hairbreed zoude mogen afwyken.

Wel erkent de Hoogleeraar (f), dat de Kennis der waare en zaligmaakende Leere uit de zuivere bron der Gewyde Boeken moet geput worden. Het gezach en oordeel van oude Geleerden of Vergaderingen moet ons in geloofszaaken niet beheerfchen. Maar ay wyzen toch niet zelden den wech tot het wel verftaan der meening van Christus

(*) Pag. 6. (f) Pag. is.

Sluiten