Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§19 J. VAN VOORST

acht gegeven in veele Verzamelingen, „ waarin verftrooi„ de en van alle kanten byeen gezochte aanmerkingen „ over de denk- en handelwyze der Ouden, onder by„ zondere hoofdftukken voorgedragen , maar dikwyls „ dingen , die tot verfchillende tyden en plaatzen be„ hooren, zodanig onder een gemengd worden , dat „ veele leezers , daardoor bedrogen, zich verbeelden , „ dat leerftellingen , welke Hechts tot zekere tyden „ bepaald, of hierendaar aangenomen waren, algemeen „ en overal in kracht zyn geweest — Het fpreekt

van zelve, dat men , om het rechte nut te trekken uit de Werken der Ouden , ook van de echte leezing moet verzekerd zyn, en daarover weeten te oordeelen.

■ Vooral komt voorzichtigheid te pas omtrent die

plaatzen, waarin gezegden der Schriftuure aangehaald worden. Behalven dat de Ouden zeiven die aanhaalingen veeltyds deéden uit hun geheugen en zonder veel naauwkeurigheid, zyn ook veele van die plaatzen door volgende Affchryvers veranderd naar den Latynfchen tekst; zodat zy nu niet de leezing van eenig oud Handfchrift bevatten, maar van veel laatere tyden. Heeft men de

waare leezing al gevonden, dan is nog de vraag, hoe men de woorden der Schryveren te verftaan hebbe. De plaats, alwaar, de tyd, waarin zy leefden; hunne eigene geaartheid, bekwaamheid, de leer, waarin zy opgevoed werden, de Gezindheid, welke zy waren toegedaan, maa. ken hier een onderfcheid , dat men vooral niet moet uit het oog verliezen. Zeker is het, dat veele Kerkelyke woorden (b. v. Natuur, Weezen, Zelfftandigheid, Eenswezens) niet altoos het zelfde betekend hebben. Sommige Schryvers zyn ook wel eens van gevoelen veranderd : van tertullianus weet men, dat hy in zynen ouderdom den Montanisten was toegedaan. Origknes had in gevorderden leeftyd eene geheel andere wyze van voordragt dan in den bloei zyner jaaren. De Ge¬

leerden, welken, in de tweede eeuwe, uit het Heiden-, dom, tot den Christelyken Godsdienst overkwamen, behielden, grootftendeels, de wyze van redenkavelen, welke zy in de Schooien der Redenaaren en der Wysgeeren geleerd hadden. [Men mag hier wel byvoegen een goed gedeelte hunner wysgeerige Hellingen, welke zy meen-

den

(*) Pag. 34.

Sluiten