Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MENGELWERK,

ÏOT FRAAIJE LETTEREN, KONSTEN EN WEETENSCHAPPEN, BETREKKELYKi

bedaardheid van geest , op mensghkundige en godsdienstige gronden aangeweezln.

Hy zal van geen kwaad gerugte vreezen —— zyn kart is vast, vertrouwende op den heeré.

psalm CXII: f*

(Naar het Engelsch.)

Bedaardheid van geest, te midden van de veelvuldige toe- en tegen-vallen, die geftaage wisfelingen üeg menschlyken leevens, zal elk bedagtzaarhe, inzonderheid ten deezen dage, zo vol beroerings, erkennen, isJ eene der grootfte zegeningen , welke wy op aarde kunnen verlangen, en derzelver bezit moet voor eene paarle van onfchatbaare waarde gerekend worden. En zeggen •wy niet te veel, als wy voluit verzekeren, dat deeze alleen bet deel kan weezen van den Man, die, op Gods* dienftige gronden, een deugdzaam leeven leidt, aan zyne verpligtingen en betrekkingen tot god en den Naasten beantwoordt, en zich van het Zelf beftuur, naar behooren, kwyt.

Die Bedaardheid van geest te vérkrygen en te bezitten , is een ftaat,waar op de wenfehen, bedoelingen, en poogingen, van den verftandigen, den braaven, eh den Godsdienftigen, uitloopen. -

Het gros des Menschdoms verbeeldt, zich, dat die hoogst fchatbaare Bedaardheid gereedlyk te vérkrygen is, door Lieden mét ruime fchatten bedeeld, of ten minften in onbekrompen ftaat leevende; als welke de bezitters, huns agtens , boven alle gewoone ftoorenisfen deezes wisfelbeurtigen leevens verheffen. Dat zulks eenigzins daar toe medewerkt, kan niet ontkend worden. Armoede , bekrompene leevensomftandigheden, ffemmen met die Bedaardheid niet wel zamen, Verftooken te weezen meng. 1799. no. 13. O 0 _ van

Sluiten