Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

30 UITTREKZEL EENER. REIZE

aan welke onze oogen. gewoon waren. Een gebloeiïidë rok, zo kort dat het halve been bloot was, en verre beneden den middel vastgemaakt ; kousfen met roode , blaauwe en witte ftreepen ; fchoenen zo klein , dat de teenen 'er in gekreukt lagen, zo dat de voeten zich bykans rond vertoonden, maakten de kleeding uit der Chü Ufche Dames. Zy draagen het hair zonder poeder, en verdeelen het van agteren in fmalle vlegten, die op den rug afhangen. Het kleed aan 't bovenlyf is doorgaans van goud- of zilverftof, en bedekt met twee korte mantels, de eerlte van muslin, en de tweede, daarboven, van wol van verfchillende kleuren , blaauw, geel of rood. Met deeze wollen mantels bedekken zy het hoofd, als zy by koud weêr op ftraat gaan; doch binnens huis leggen zy dit opperkleed doorgaans op haare knieën. Zy nebben een fpelletje met den muslinen mantel, beftaande in denzelven aartig te verfchikken ; in welk bedryf zy geen gering gedeelte van bevalligheid ten toon fpreiden. Zy zyn over 't algemeen vrolyk , en zo inneemend beleefd, dat 'er geene Zeeftad in Europa gevonden wordt, waar vreemde Zeelieden met zo veel beleefdheids ontvangen worden.

Omtrent middennagt eindigde het Bal. De Huizen van den Commandant en van den Heer sabatero konden alle de Franfchc Officiers en het verder medegenomen gezelfchap niet huisvesten; de Inwoonders drongen ons, by hun den intrek te neemen : en zo werden wy voor dien nagt in verfcheide deelen van de Stad geborgen.

Vóór het middagmaal hadden wy een bezoek afgelegd by de voornaamlte Burgers, en by den Bisfchop , een man van gezond verftand en aangenaame zeden, uitfteekende in liefddaadigheid, waar in de Spaanfche Bisfchoppen dikwyls zeer voorbeeldlyk zyn. Hy is een Creo/t in Peru gebooren ; nooit was hy in Europa geweest, en zyne verheffing alleen aan zyne verdienden verfchuldigd. Hy fprak met ons over den fpyt, dien de MajorGeneraal higuins zou gevoelen, dat hy, geduurende ons verblyf aldaar, ter oorzaake van de Indiaanen, zich op de grenzen moest onthouden. Het gunftig berigt, 't welk wy wegens dien 'Officier ontvingen , en de hoogagting, welke ieder hem toedroeg , deedt my de omftandigheuen beklaagen, die ons van zyn gezelfchap beroofden. Men hadt een Boode tot hem afgevaardigd, en het antwoord, 't welk deeze medebragt, terwyl wy nog te Conception

wa-

Sluiten