Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

232

Brieven en

ftraffen mij had waardig gemaakt; maar ook, dat, zou ik immer tot genade koomen, God dezelve als vrij cn ongehouden aan mij zou moeten verheerlijken. Er bleef bij mij geen andere grond van pleit, van hoop, of vcnva^ting over, dan: O Heer ! doe het om uwes Naams wille! En toen ik genade in 's Heeren oogen vinden mogt, heeft niets mij dieper vernederd, en hartelijker aan Gods gemeenfchap en dienst verbonden, dan Gods vrijmagtige liefde ongenade, in Christus over mij uitgebreid. O ! dat in. denken: En waarom aan mij? heeft mij dik wils in verwondering en aanbidding doen wegfmelten , en is alsnog bij mij de vrugtbaarfte bron van waare ootmoedigheid voor God, en nedrigheid voor de menfehen — van ootmoedigheid voor God ; omdat niets , niets mij van anderen , die verloorcn gaan , heeft onderfcheiden , dan genade , vrije genade alleen ; en nedrigheid voor de menfehen. O! als ik hen aanzie, of toefpreek, in hunne ellende , blindheid , en af keerigheid , en dan herdenk: Eertijds was ik ook zoo; en wie, of wat heeft mij van hen onderfcheiden? dan kan ik best met liefde , medelijden , en ontferming hen bejegenen , voor hen bidden, en ftaa, bij een' aanhoudenden tegenftand, minder bloot, om dc hoop al te ligt optegeeven , dewijl God zijne genade vrijmagtig bedeelt, cn zelfs aan eenen woedenden Saulus heeft willen verheerlijken. Onze oude Praktizijncn — die nimmer leerden , gelijk tans gefchiedt, dat het geloof gaat voor de geestelijke lcevcndig.

maa-

Sluiten