Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OP DEN 13

EZEL van DAMETUS,

Die zich, in weerwil mijner tegenkanting, in een ernjlig Klinkdicht vertoond had.

'kIleb u, onedel dier, tot op dit oogenblik, Uwe onbevalligheid van goeder hart vergeeven : En mooglijk dat ge in lang den tijd niet zult beleeven,

Dat iemand op uw ftuk zoo reedlijk denkt als ik.

Ja, fchoon uw hees gefchreeuw niet zelden mij verfchrikk', Mij, die geen' valfchen toon kan hooren zonder beeven; Uw hi-ha heeft u zelf niet uit mijn gunst verdreeven,

Wijl ik toegeevend ben, en mij naar alles fchik.

Maar dat ge, niet vernoegd met in uw ftal te woonen, Ons zelfs tot op Parnas uw fraai figuur komt toonen, Die ftoutheid, ik beken 't, doet mij verwonderd ftaan.

Damëtus, neem dat beest wêêr daadlijk bij zijne ooren, Maak haast, eer 'tverder dring in die gewijdeChooren, Of't jaagt Apollo-zelv' gewis een' doodfchrik aan.

D E

Sluiten