is toegevoegd aan je favorieten.

De vriend van't vaderland.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

02 DE VRIEND

eene Dochter , doch ik vond aan haaren man een' zoon! Wat zy hadden, had ik. Zy pasten my op, alhoewel ik hun geen penning nalaaten kon. God laave hen daarvoor aan zynen hemelfchen Vry-disch, ook uit Genade en Barmhartigheid , gelyk zy het hier aan my gedaan hebben.

DE HEER VAN G.

En thans, Vader! zyn ze tegen u koeler?

DE GRYSAART.

Neen, myn Heer! dat niet! maar ze zyn arm geworden. Het onweêr doeg hun huisje te grond. Zy hadden iets voor

myne begraafnis weggelegd ik ben zo een oude gek op

eene eerlyke begraafnis, en deezen fterfpenning, myn Heer! hebben ze aangetast — daarom ga ik beedelen. Als ik derf, nullen ze de onverwachte vreugd hebben, myne begraafnis befteld te vinden. Zy zouden geborgd hebben, myn Heer! om my na mynen dood ten gevalle te leeven, dat weet ik; alleen dit wilde ik niet. Dus ben ik, myn Heer! een oud man, maar een jonge Bedelaar!

DE HEER VAN G.

Waar woont gy dan ?

DE GRYSAART.

Myn Heer! om vergceving! dat zeg ik niet, mynent en myn er arme kinderen wegen!

DE HEER VAN G.

Vergeef my, Oude! dat ik het gevraagd heb; God itraffe my wanneer ik u nazie.

DB GRYSAART.

Dat is braaf! genadige Heer' binnen acht dagen ziet gy naar den Hemel, dan (God zy gedankt) dan is myne wooning niet meer geheim. ■

DE HEER VAN G.

Maar waar geiooven u thans de uwen ?

DE GRYSAART.

Ik zeide dat ik eene gelofte op my had, en nog eenmaal

Gods