Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mejufvrouw >. 355

om dezelve uitteroeien — opdat wij, door herhaalde teleur Hellingen vermoeid, ten laatften gedwongen worden , om op Hem alleenlijk te wachten. Waar toe anders ervaaren wij zoo meenigvuldige wisfelingen , en tegenfpoeden? Waar toe zijn wij zoo dikwijls in bezwaar? Wij weeten, dat de Heek vermaak fchept in het genoegen en den voorfpoed zijner dienaaren, dat Hij zijne kinderen niet plaagt of bedroeft van harte; maar er is eene noodzaak aan onze zijde, om ons te leeren, dat wij geene vastigheid in onszelven hebben, en dat geen fchepfél ons goed kan doen, dan door zijne befchikking. Zoo lang het volk van Israël op den Heerè vertrouwde , om fpijzc , verfaamelden zij het Manna, eiken morgen, op het veld; maar toen zij het in hunne huizen wilden opleggen, ten einde eenen voorraad te hebben bij zichzelven, ontbrak er zijn zegen aan, en het deugde nergens toe; wel draa groeiden er Wormen in, en het werd Hinkende. Meenigemaalen zien wij iet dergelijks gebeuren, beide in onze tijdlijke en geestlijke belangen. De Heer geeft ons eenen waarden Vriend , om ons tot troost en vergenoeging te weezen; maar eerlang vergeeten wij , dat de Vriend enkel het kanaal is, waar door ons de troost en het genoegen wordt aangebragt, en dat al het genoegen en de troost eeniglijk van den Heere zelven koomen. Om ons dit te herinneren , doet de Heer den Hroom uitdroogen — onze Vriend wordt ons ontnoomen, door den dood, of verre van ons Aa 4 ver-

Sluiten