Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AAN ZTNEN ZOON.'

221

Ik gaa over tot een derde foort van menfchen, die zeer na aan de voorigen grenzen , en waarvoor ik u insgelyks moet waarfchuuwen; ik meen „ de klasfe der „ dweepers en geestdryvers." Maar laat ik u eerst zeggen, welke menfchen onder deezen naam begreèpen zyn.

Gy weet, myn Zoon! dat de goedertiercne Schepper 's menfchen natuur met eene ons onbekende meenigte van grondbeginfelen, bekwaamheden en krachten begunftigd heeft,waarvan elke tot eenen verwonderenswaardig hoogen trap kan befchaafd, verheven en verfterkt worden. Gelyk nu de geëvenreedigde befchaaving van alle deeze vatbaarheden dat geene waartoe wy gefchikt zyn, en de daardoor bewerkte regelmaatigheid van alle onze ligchaamelyke en geestelyke vermogens, onze mogelyke volmaaktheid uitmaakt: moet ook elke eenzydige beoefening en verfterking van enkele vermógens, en het daarüit voortkomende overwigt van het één boven het

an-

Sluiten