is toegevoegd aan uw favorieten.

De vrolyke zanggodinnen, of Mengelwerk van vernuft

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FABELEN EN VÉRTELZËLS- Sitï

TE VROEG GETROUWD.

ÏLen Proponent, gezond en zuiver in de leer,

Kwam by een' ryken Ambagtsheer, Die op zyn Dorp den post van Preeker kon begeven. Hy wenschte hartlyk dat het Ampt van Predikant Aan hem gefchonken werd, om, naar zyn zin, op'tLand,

B-Iet zyne Vrouw en kroost te leven. Hy dringt, uit vrees dat zyn Patroon hem af mogt flaau,

Dat heusch verzoek op 't errifligst aanv, Hy ftelt den Heer, een' man van aanzien en vermogen ,

Den ftaat zyns huisgezins voor oogen.

'k Ben , zegt hy , aan een brave Vrouw , Nu zeven jaar geleên, verbonden door de trouw. De gunst des Hemels heeft öns minzaam kroost befchoren. 'k Zag uit myn lieve Gaê, die me als zich zelv' bemint,

Om 't jaar een dierbre fpruit geboren: Zy gaf voorleden week my reeds het zesde kind.

Myn Heer kan denken wat verlangen Ik naar een ftandplaats heb: 'k hoop van Uw menfchenmiri,

Tot fchraging van myn huisgezin, De gunst, die ik verzoek, op myne beê , te ontvangen.

Het antwoord was: 'k heb u gehoord. Al wat gy my vertelt geloof ik op uw woord:

Ja zelfs befluit ik, uit uw fpreken,

Dat gy geleerd hebt mooi te preekeö;

Q Maar