is toegevoegd aan uw favorieten.

Néderduitsche spraakkonst, ten dienste der Nederlandsche taalbeminnaars.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SPRAAKKONST. 7?

Maar in den onvolm. voorl. tijd.

ik bloedde, gij bloeddet, hij bloedde, gijlieden bloeddet.

— doodde, — dooddet, — doodde, dooddet.

— fmeede, — fmeeddet,— fmeedde, fmeedder.

Dat men deefe en dergelijke woorden, met det of tet moet eindigen, getuigt de Schrijver van het idea lingu^: belgi-

c&. Moonen (pag. 178. 181.) intégendeel verkiest te

fchrijven gijlieden fimeedden, fchudden, hoopten, waarméde niet onduister overéénflemt de Heer h. ten kate, I. Deel. bladz. 551. f. de haes, en meer anderen. Edoch, niettégenftaande de achting en het gezag van die Mannen, kan ik hen in deefen

niet naarvolgen. De laatstgenoemde, naamelijk de haes,

fchrijft: gijlieden raektet of raekten, bl. 75. Gijlieden viscbtet

of vischten, bl. 71. Gijlieden ivacgden of waegdet, bl.

Waaruit blijkt , dat zijn Edle het onverfchillig

fielt. Vond ik mij in 't geval, om der zagtheid van de

Poè'fije te wille te zijn, dan fchreef ik nog liever: gijlieden Hoedde, hoedde, voedde, enz.

Hierbij zullen wij dit ftuk laaten berusten, en 'er alléénlijk nog van zeggen, dat'er ook verfchil ontftaat, in de betékenisfe der woorden, die met t, of met dt geflooten zijn, als:

Wandt. Het fchecpswandt. — Wandt, van Winden. Hij wandt hem in zuiver fijn lijixaat.

Houdt , van 't werkwoord Houden. Hij houdt mij vast.

Laadt, van Laaden. Hij laadt zijn Schip.

Zie hier een voorbeeld van de onderfcheidene fpelling met o, Ten dt.

„ De Maaikleur Jweemr op V ijs te pronk, ,, Dat niet te fterk, befiwaarv, verfleurD , ,', Al ficheurenv) knort, al knorren!) ficbeur'ï. „ Een Loener Huisman blijgemoeo, Om al zijn welverkochle goeo,

„ DU

Want, een rédegeevend woordje. Ik gelocfi het, want ik heb V gezien. —'— Want r een Handfchoen.

Hout is eene brandbaare

ftof. Houdt dat bout

1 eens vast.

[ Laat van Laaten. lk bid

u, laat het (laan.