Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

423 NEDERDUITSCHE

ik grijn. ik green. gegreenen. Grijnen.

ik krijg. ik kreeg. gekreegen. Krijgen. ! ;

ik knijp. ik kneep. gekneepen. Knijpen.

ik krijt. ik kreer. gekreeten. Krijten.

ik kwijt. ik kweet. gekweeten. Kwijten.

ik kijk. ik keek. gekeeken. Kijken.

ik kijf. ik keef. gekeeven. Kijven.

ik lijd. ik leed. geleeden. Lijden.

ik lijk. ik leek. geleeken. Lijken.

ik nijg. ik neeg. geneegen. Nijgen.

ik nijp. ik neep. geneepen. Nijpen.

ik onderwijs, ik onderwees, onderweefen. Onderwijfen.

ik ontbijt. ik ontbeet. ontbeeten. Ontbijten.

ik overlijd. ik overleed. overleeden. Overlijden.

ik prijs. ik prees. gepreefen. Prijfen.

ik rijd. ik reed. gereeden. Rijden.

ik rijf. ik reef. gereeven. Rijven.

ik rijg. ik reeg. gereegen. Rijgen.

ik rijs. ik rees. gereefen. Rijfen.

ik rijt. ik reet. gereeten. Rijten.

ik fchrijf, ik fchreef. gefchreeven. Schrijven.

ik fchrijd. ik fchreed. gefchreeden. Schrijden.

ik fchijn. ik fcheen. gefcheenen. Schijnen.

ik flijp. ik (leep. gefleepen. Slijpen.

ik flijr. ik (leer. gefleeten. Slijten.

ik fmijt. ik fmeet. gefmeeten. Smijten.

ik fnijd. ik meed. gefneeden. Snijden.

ik (trijd. ik (treed. geltreeden. Srijden.

ik fplijt. ik fpleet. gefpleeten. Splijten.

ik fpijg. ik fpeeg. gefp.egen. Spijgen.

ik (lijf. ik (leef. geiteeven. Stijven.

ik (trijk. ik (treek. gettreeken. Strijken.

ik (tijg. ik (teeg. gelteegen. Stijgen.

ik wrijf. ik wreef. gewreeven. Wrijven.

ik wijk. ik week. geweeken. Wijken.

ik wijs. ik wees. geweefen. Wijfen.

ik wijt. ik weet. geweeten. Wijten.

ik zwijg. ik zweeg. gezweegen. Zwijgen.

ik zwijk. ik zweek. gezweeken. Zwijken.

ik zijg. ik zeeg. gezeegen. Zijgen.

ik zwijm. ik zweem. bezweemen. Zwijmen.

Hier-

Sluiten