Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

natuurlyke historie van den water-merel. 223

tl» • ook heeft hy die leevende en bruske beweegingen niet, neemt geene van diens houdinge aan, loopt niet huppelend en fpringend; maar wandelt langzaam, met afgepastefchreden aan den kant der Fonteinen eu Beeken, Welke hy nimmer verlaat. By voorkeuze onthoudt hy zich aan leevend en itroomend Water, 't welk met geweld voortichiet, welker bedding doorfneeden is met Steenen en Rotsbrokken Veeltyds ontmoet men de Water'-Merels naby Watervallen, en byzonder by heldere Wateren, die over een Zandgrond loopen. .

De Water- Merel," fchryft Dr. hermann mt Straatsbt/rs aan den Heer de montbeillard , „ heeft een zeer wyde opening van den Bek, zyn Vederen hebben de " vettigheid van Endvogelen, 't welke hem dient om te " gemaklyker onder het Water te kunnen gaan, waarhy " wandelt op de Water Infeclen aazende: hy maakt zyn *' nest van mos, op den grond, digt by 't Water, ver', welfd van boven als een Oven; het getal der Eijeren is , , vier." .

Zyne byzondere eigenfchap, om in t \\ atcr te gaan , ftaat ons wat nader te overweegen: de Water-Vogels, met o-evliesde pooten, zwemmen op het Water, of dompelen zich in 't zelve; de Strandvogelen, op hooge kaale pooten loopcnde, gaan 'er zo verre in, dat het Water hun lyf raake: dc Water■-Merel gaat 'er geheel in wandelen, en volgt onder het Water den loop des gronds waarop hy treedt: hy begeeft zich allengskens dieper in het Water, welhaast is hy 'er tot den hals toe in, en vervolgens tot over den kop dien hy niet meer overeinde houdt, dan of hy in de lugt ware; hy vaart voort met onder het Water te wandelen, daalt tot de diepte, en loopt 'er als op den oroogen oever. Aan den Heer iieiïert zyn wy allereerst de kundigheid van deeze zeer zeldzaame eigenichap verlchulcngd, diè, voor zo verre ik'weet, geen Vogel met.hem gemeen heeft. Zie hier de waarneemingen, welke die Heer de goedheid gehad heeft my mede te deelen.

Ik lag verfchoolen aan de boorden van het Meir van , Nantua, waar ik met geduld een Schuitje afwagtte,. t , welk eenige Wilde Endvogels zou aanbrengen. Ik nam . , waar, uit myne fchuilplaats, zonder gezien te worden; voor myne 'fchuilplaats was een kleine beek , welker grond, langzaam afloopende, in 't midden de diepte van twee of drie voeten mogt hebben. Een Water-Merel !, onthieldt zich aldaar, en bleef 'er meer dan een uur, " II 4 zo

Sluiten