Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN LEEVENSVOORVAI,, ZEDEKUNDIG TOEGEPAST. 513

' EEN LEEVENSVOORVAL , ZEDEKUNDIG TOEGEPAST.

(Uit het Fransch.)

MYN HEER'.

Ctaa my toe, Myn Heer, u berigt te geeven van een aartig geval , 't geen ik onlangs bywoonde. Een Boer van den jjeer * * * * *) zond op zekeren djg een zyner Zoonen, om eenigen voorraad van de Landhoeve 'te brengen. Die Jongeknaap, die, zo lang hy leefde, nooit eenige Muzyk gehoord hadt, behalven het eenvoudig Kerkgezang, en het fpeelen der Herderskn. apen, kwam aan 't huis van zyn Heer op dien tyd, dat men alles tot een groot Concert gereed maakte. De Muzyklesfenaars waren reeds geplaatst, en de Muzyk -In (trumenten lagen hier en daar. Lubin, in het voorbygaan, al den toeitel gezien hebbende, vroeg aan de Knegts wat 'er zou gefchieden ? Zy vertelden hem , dat 'er een groot getal Muzykanten zou komen, van welken 'er eenige zouden zingen, en andere op Inftrumenten fpeelen. Zy bragten hem in de zaal. Hy ftondt verfteld over de menigte van Vioolen , Alten, Basfen, Fluiten, Clarinetten, Trompetten, enz. Derzelver verfchillende gedaante trok zyne aandagt: „ Dit Concert," (prak hy, „ zal

„ langen tyd duuren ?" Waarom? ,, Eer elk op ie-

„ der dier inftrumenten een weinig gefpeeld heeft, moeten 'er „ verfcheide uuren veiioopen." Maar alle die Inftrumenten zullen te gelyk fpeelen. ,', Gy wilt my wat wys maa-

„ ken; 't zou een groote verwarring geeven, indien zich alle

„ die Inftrumenten te gelyk lieten hoorcn." /» 't geheel wiet.

'Er zullen ook Mannen en Vrouwen zyn, die teffens zingen, en dat

zalalles wonder zamenflemmen. ,, Wat zullen zy dan zingen en

„ fpeelen f" Men toonde hem de Muzykboeken, zo als zy op de lesfenaars lagen: daar hy van 't Kerkmuzyk niet geheel onkundig was, kon hy genoegzaam ontdekken, welk een verfchil 'er plaats hadt tusfchen de Partyen: dat de heele Nooten maar een klein getal uitmaakten, en 'er , in tegendeel, eene ontelbaare menigte kleine was; dat in de eene party de Nooten zeer hoog, en in de andere zeer laag, liepen, dat ze, in een derde, het midden hielden ; dat op eenige bladen woorden gefchreeven Honden, op geene niet. Dit alles gezien hebbende, borst hy uit

in een hartlyken lach, en betuigde: „ Gy moet my voor

„ wel zeer eenvoudig aanzien, om my te willen beduiden, „ dat men alles, wat op die papieren ftaat, te gelyk zal fpeelen , en dat dit wonder wel zal zamenftemmen, 't is even „ of gy my wilde zeggen, dat, wanneer de Honden, de Kat-

», ten.

Sluiten