Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3*

W. COXE, BESCHOUWING

van Diamanten cn andere kostbaare Gefteenten, die allerwegen op hunne kleeding fchitteren. In de meeste andere Europifche Landen zyn deeze kostbaare cieraaden, ('ui1 ■ nmen by eenige weinigen van den voornaamften Adel est geheel en al voor de Dames beftemd; doch. hier xm" :fi de Heeren met de fchoone Sexe , om den voorrang" in derzelver dragt. Veel en van den Adel waren als met Diamanten bedekt, hun Knoopen , Gespen, Degengevesten, en Epaulets, beftonden uit die kostbaare ftofte; hunne Hoeden waren menigmaal, als ik my zo mag uitdrukken , bezet met verfcheide ryen Edelgefteente, en een Diamante Star op 't kleed, was naauwlyks

iets onderfcheidens. Deeze zugt voor Juweelen

fchynt door te dringen tot laagere rangen; byzondere Burgerfamiliën bezitten ze in overvloed, en de Vrouw van een gemeen Rusfisch Burger vertoont zich met eèa hoofdftel of gordel van Paarlen en andere kostbaare Gefteenten, ter "waarde van twee of drie duizend Ponden Sterling."

Befpiegeling van de vier Leevensftanden. Tweede Stukje. Te Haarlem,, by A. Loosjes Pz. 1786. In gr. octavo. 120 bladz.

Met de voorftelling van het Plan des Autheurs, in 't vervaardigen van dit Gcfchrift , ontvouwden wy voor ecnigen tyd (*) de manier der uitvoeringe van 't eerfte Stukje, dat de Kindschheid ten onderwerp had: in dien zelfden fmaak nu deelt hy ons, in dit tweede Stukje , agtervolgens dat Plan , zyne befpiegeling over de jeugd mede. Philas, een Jongeling van eene fchoone lichaamsgeftalte, met eene openhartige ziel, vatbaar voor het grootte , en door zyne leevendige driften van een aandoenlyk gcftel, verftrekt hem hier tot een hoofdbeeld van zyn .Tafereel. Zulks doet hem wel inzonderheid het character van een Jongeling maaien; dan hy vormt een aantal van trekken op zodanig eene wyze, dat zy gereedlyk over te brengen zyn op de jeugdige fchoone Kunne, welke ook hier en daar, voor 't overige, voldoende in dit Tafereel gefchetst wordt. Philas maakt, onder eene goede opvoeding en leerwy-

(*) Zie N. A\g. Vai. Lettcroef. I D. bl. 36.

Sluiten