Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door F. MARTINET.

241

hoe 't eenen Krygsoverften der Jooden , die leevcnd " in uwe magt gevallen is , past te fterven. Gy zult " mv na nero zenden; maar waarom dat, naardemaal " zv, die hem tot-on u zullen volgen , niet dan een

korten tyd zullen leeven? Gy, vespasianus , zyt " het, dien ik als Keizer aanmerk, en titus , uwen li Zoon, na u. Doe my dan zeiven als uw eigen gevangen bewaaren; want gy zyt met alleenlyk Heer en " Meester over my geworden ; maar zult het ook wel" haast over de geheele Waereld zyn, en gy moogt my - vry tot een zwaarer ftraf dan gevangenis bewaaren,

indien het ooit,blykt, dat ik dit verüerd, en gods " naam misbruikt hebbe, om u te behaagen.

Op die voorlpellende Aanfpraak des Gelchiedfchryvers, ontmoeten wy de volgende Aantekening van den Heere martinet. „ De Geleerden hebben moeite gedaan, om naauwkeurig te bepaalen, welke Voorzegging des Ouden Testamcnts hier door josephus bedoeld zy-. maar daar in hebben zy tot nog niet kunnen overeenftemmen. Sommin-en denken op Gen. xlix: 10; anderen op Micha V: ï :&eenigcn op Jefi ix: 5> 6, of op fef. ii: 1-5. Maar wordt de bedoelde Voorzegging wel ergens 111 het Oude Testament gevonden ? Of bedoelde josephus de hoofdzaak daar van, naamlyk, dat 'er iemand zou opftaan, die wyd en zyd regceren zou? Of waande hy in de daad den Geest der' Voorzeggingen te hebben , gelyk hy te vooren god daar voor dankte, en wilde hy zynen Overwinnaar met die Voorfpelling vleien ? Dan , in de daad, josephus behoefde die gaaf van voorzeggen met voor te wenden. Hy kende ongetwyfeld de gefteldheid der Romeinfche zaaken van dien tyd zeer wel, en dan was het geene zwaare zaak, daar uit te befluiten, dat vespasianus , en naa hem titus , regeeren zou. Men heeft opgemerkt, dat suetonius en tacitus mede verhaalen, ( dat 'er een groot Perfoonadie , als Heerfcher , zou opftaan , en uit Judea voortkomen, het geen zy mede op vespasianus hebben toegepast, waar in zy mogelyk josephus gevolgd hebben. Dan, deeze Heerfcher zou de Messias weezen.

Nader licht de Eerw. martinet dit ft uk toe, als hy gevorderd is tot de plaats , waar josephus fchryft.

, Maar 't geen hun [te weeten de Jooden] voornaamlyk 11 in deezen droevigen oorlog inwikkelde, was de dub„ belzinnigheid van eene Schriftuurplaats, behelzende,

„ dat

Sluiten