Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2 gó* ïje pauw

Heer montesquieu noemt „ den Schryver van den ,, Geest der Wetten," wordt het wanrfchynelyk, dat wy ze in dat Werk moeten zoeken. Alles nu, wat, zo veei wy weeten, daarin gevonden wordt over dit onderwerp, is dit weinige: ,, Te Athenen was eene byzondere Over„ beid. welke het oog hield over het gedrag der Vrou,, wen." Espr. des Loix, Liv. VII. Art. IX. Not. («)« Waar is hier dc verwarring? Montksquieu fpreekt in den tekst van de Zeden der Atheenfche Vrouwen, niet van .derzelver opfchik. Hy bedoelde , derhalven, in de Aantekening de Gyneieconomen , en zegt niets het geen op deezen niet to:pasfelyk is. De tweede Paragraaph, bladz. 135, handelt van de Verbaslering in de driften der Grieken. Al wie iets van de Griekfche zeden weet, zal ligtlyk bevroeden, wat hierdoor verftaan worde, zonder dat wy 'er ons verder over uitlaaten. De Schryver toont by deeze gelegenheid zeer wel aan , dat die verbastering niet haaren oorfprong genomen had in de Gymnaüën , maar van veel vroegeren tyd herkomftig was. Hy fehryft dezelve toe aan het gebrek aan fchoone vrouwen in Griekenland , en bfengt tot bewys van dat gebrek by den grooten ophef, welke men van eenige ongemeene fehoonheden onder dezelve gemaakt heeft. Dit Uittrekfel is reeds zo lang geworden , dat wy ons niet het onderzoek en de wederlegginge van deeze paradoxe ftellinge niet kunnen ophouden. Allcenlyk zullen wy aanmerken , dat de Schryver , volgens gewoonte, links en rechts alles aangrypt, wat eenigzins kan dienen ter begunftigjnge van zyn gevoelen. De Griekfche Vrouwen waren gewoon zich te blanketten. Derhalven deeden zy dit zo grof, dat het blanketfel een foort van masker op haare aangezichten wierd , en alle Vrouwen o-elyk maakte: derhalven had terentius deeze mode in net oog , wanneer hy, Eunuch. Act. II, Sc. III. vs. 6, chaerea doet zeggen: Tacdet quotidianarum harum for. marum. Waarlyk eene zonderlinge redcneerwyze, als of niet elk verliefd jongeling zyn meisje hield voor eene uitfteekendc fchoonheid. By ons is ook wel de uitdrukking eene dagelykfche tronie in gebruik, wanneer men fpreekt van eene vrouw, welke noch fchoon , noch lelyk is. Hoe fraai zoude over een paar duizend jaaren eenig geleerde daaruit afleiden , dat in de achttiende Eeuwe de Nederlandfche Vrouwen gewoon waren zich dermaate met blanketfel te befmeeren , dat alle dezelfde tronie fcheenen te

heb-

Sluiten