Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WYSGEERIGE BESPIEGELINGEN OVER DE GRIEKEN. &3?

hebben. De derde Paragraaph deezer Afdeelinge

fpreekt van dc aanvallen van Melancholie , waaraan da Athenienfers en Ac overige Grieken onderhevig waren. Wy zyn genoodzaakt hier veel aanmerkenswaardigs voorby te gaan. Van de Atheenfche Wysgeeren en derzelver leevenswyze maakt de Schryver ons evenwel eene zo bekoorelyke fchets, dat wy niet kunnen nalaaten een klein Haaltje daarvan onzen Leezeren mede te deelen. _ Zy waren daarenboven, (zegt hy, bladz. 157,) niet vatbaar voor ontroeringen , welke vaak al zo döodelyk " zyn als ziekten. De vrede week nimmer uit hunne f ziel: elke dag was voor hun een feestdag, en de op" losfing van een vraagftuk de grootfte vreugde. In den " lommer hunner tuinen gezeten , belachten zy de mce' nigte van dweepers en heerschzuchtigen , welke ge" flingerd werden als riet, door den geringften^wind, ja " door het geringde luchtjen der hartstochten." Gelukkige Wysgeeren! zouden wy wel mogen uitroepen , indien wy deeze befchryving niet, gelyk-veele afbeeldfcls,

als vleiende befchouwden. • Wy behoeven niet ftil

te ftaan op het geen de Schryver in de vierde Parao-raaphj bladz. 160 enz., zegt van dc verbastering in de

Ge/lachten der Athenienfers. • Ook zullen wy ons

niet ophouden met de Gymna/liek der Ouden, van welke hy fpreekt in de vyfde Paragraaph, bladz. 166 enz., en welke door hem met recht in zo verre wordt afgekeurd, als zy ftrekte om eenige deelen des lichaams tc yerfterken, met verzwakkingc c-n vermageringe der overige, en fommigc oefeningen niet gefchieden konden, zonder groot gevaar der deeiïykfte kwetzingen en verminkingen. Allecnlyk zullen wy uit dit gedeelte des Werks nog een paar ftaaltjens van des Schryvers wyze van aanhaalen ontleenen. Van de vuistvechters cn worftelaars fpreekende, zegt hy, bladz. 175: „ Ook is het zeker, volgens „ getuigenis van Ifocrates, dat [NB.] geene anderen dan „ lieden van de laagfte klasfe, en die uit de verachtelyk, fte gehuchten van Griekenland afkomftig waren , dit " fchandclyk handwerk oeffenden , en dat deze zulks „ deeden, om dat zy geen ander beroep geleerd hadden, ., waarin zy met minder moeite en met minder beroemd„ héid zouden geleefd hebben (+)." Wanneer wy de aansewezen plaats opftaan, vinden wy daar, dat alcibi-

aous

(V) ilt-i <feuy«t»5.

Sluiten