Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

18 gods GOEDERTIERENHEID. Ach! maakten immer zegeningen Den ftervling wederftreevens moê, Kon immer dankbaarheid hem 't rotfig hart ontwringen, Dat hart behoorde U eeuwig toe! Waar ooit uw Goedheid wierd gepreezen, 't Zou vuurigst onder 't Menschdom zijn — O God! geheel deeze Aard' zou ftraks een Hemel wezen , De Mensch een Serafijn!

m

O Gij, nog onbezochte dreeven!

Gij grond, voor eeuwig zaad bereid, Waar zich de onzichtbre kiem van dit verdorven leven Ontwikkelt tot onfterflijkheid! — Aan geenen kant van uwe velden Verrijst een fchaduwlooze dag — Daar zal de Mensch uw liefde, Oneindige! vermelden, Die hier zich zelf flechts zag.

Daar

Sluiten