Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

133 HERFST-ZANG.

ó Adeleide! deeze zooden Boón dikwerf uwen kommer rust.

Hoe vaak heeft hier mijn hart zijn nooden Op uwe lippen weggekuscht!

Hier waart gij aan mijn zij' gezeten, Waar nu dit nachtviooltje bloeit —

Ach! zou mijn hart een vreugd vergeten, Zo fpoedig weggevloeid!

Als 't avondkoeltje door de boomen Een ftille fluistring om mij wekt,

Is 't uw gewaad, dat met zijn zoomen Het ruifchend blaadje tot zich trekt.

In 't murmlen van een' zachten regen Hoor ik u naadren als weleer;

Ik vlieg u van mijn rustplaats tegen, Maar zit 'er eenzaam weêr.

Ge-

Sluiten