Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

22 AAN DEN SCHEPPER.

De Mensch fchijneuicuw gunst enfchepping als verftooten. Gij toch, Oneindige ! Gij fchonkt den Mensch uw' Zoon, En 't uitzicht, voor zijn oog ontflooten, Verliest zich voor uw' Glorietroon!

Wat voor het zinlijk oog in hooge of laager orden Zijn doelwit tegenftreeve, of in het duister kwijn', 't Gaat vast — een God deed alles worden, 't Geluk moet aller deel eens zijn!

De afzich ige Ondeugd fnooge uw reine Schepping naadren, Zij ftrekt derDeugd ter fchaaüw,en vormt haar zege in 't endT; Het kiesch gevoel fchat beide raadren, Door uwe Wijsheid aangewend.

De Boosheid helpt het heil van 't groot Geheel'volmaaken, Maar b ijft in zich een kwaad, dat altijd fmart verbeidt, 't Geen hier de Deugd haar wit doe: raaken, Boeit de Ondeugd aan rampzaligheid.

Uw

Sluiten