Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SARA BURGERHART. 21

lesfen, die ik ontfihg, uitgewischt. O vrede! ö kalmte der ziel, waar zyt gy zedert deeze drie laatfte jaren geweest ? ó myne Naatje, kan ik met nimmer wankelende treden den weg der pligten altoos bewandelen ; daar men mynen weg zo hart, zo doornig, zo ruw maakt? Nu 't is ook uit: myn gerekt geduld is ten eindez, ik zal my dus niet langer laten plagen: Neen! vast niet.

Ik kan u al myn verdriet niet vertellen; daar is in veele opzichten zulk een zweem van beuzelagtigheid by, dat gy, die zo gelukkig leeft, niet kunt geloven, dat het my zó treft. Ik heb geen de minfte vryheid; komen myne Meeftcrs, dan tiert zy als een zottin; ik mag niet op myn Clavier fpelen; ik mag my niet kleden , zo als ik gewoon ben; ik mag niemand zien dan in haar byzyn. Gy weet dat ik altoos pro_ per, en eenigzins modieus gekleedwierd, maar hoe takelt zy my toe! Nu, zedert de rouw uit is, moet ik in een grove lelyke Stoffen Japon lopen; myn Pelifc is van eene oude zyden faly myner Grootmoeder , (en is vol vouwen en kerven,) gemaakt; zonder kap, of lintje, met een tinnen haak en oog maar vast gekonkelt. Myn linnen muts is zo groot, dat even het puntje van myn neus er uitkykt. Ik heb dikke drommels van fchoenen, en dieren van groene kousfen aan. Alle Kerkdagen moet ik gaan, en B 3 by

Sluiten