is toegevoegd aan uw favorieten.

Onze tydkorting aan den IJssel

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II0- Fonrose en Adelaïde,

vrouw, zeide Adelaïde, terwyl Fonrose de knie-' en van zynen vader omhelsde, die hem met goedheid opbeurde; vergeef my van u zoo langen tyd in de droefheid gelaaten te hebben: indien ik hem eerder gekend had, zoud gy vroeger zyn vertroost geworden. Na de eerfte beweegingen der natuur, was Fonrose weder in de diepfte bedroefdheid nedergeftort. Laaten wy, zeide de Marquis, laaten wy in de hut rusten, en alle de verdrietelykheden vergeeten welke ons deze jonge dwaas aangedaan heeft. Jaa, myn Heer! ik ben zulks geweest, zeide Fonrose tegen zynen vader, die hem by de hand geleidde. Daar was niets minder noodig dan de verdooldheid van myne rede om in myn hart de beweegingen der natuur op te fchorten, om my de geheiligfte plichten te doen vergeeten ; met een woord, om my af te fcheuren van het gene my het waardst op de wereld was; maar deze dwaasheid, hebt gy doen gebooren worden, en ik ben 'er te wel over geftraft. Ik bemin zonder hoop het volmaaktfte fchepzel dat op de aarde is: gy ziet niets, gy kent niets van deze onvergelykelyke vrouwe: zy is de eerlykheid , de aandoenelykheid, de deugd zelve; ik bemin haar boven alles , ik kan niet gelukkig zyn zonder haar, en ik weet dat zy de myne niet kauworden. Heeft zy, vroeg de Marquizin, u het geheimhaarer geboorte toevertrouwd? Ik weet 'er genoeg van zeide Fonrose, om te kunnen verzekeren , dat zydaar in niets wykt voor de myne; zy heeft zelvs eene aanzienelyke fortuin verlaaten, om zich in deze wildernis te begraaven. — En weet