Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

235 OS*

B'lzebub verdween , en Rudolph doorzocht Paters ranzel, dien bij fteeds mer zich voeide. Hij yond behalven het buck, nog een fleutel en een koord, ladder daarin.

Rudolph. ( tot Pettr~) Kan ik dit tot mijn voor» neemen gebruiken?

Peter. Gij kunt! Deeze fleutel opent elkflot; en deeze koordladder reikt van elk venster, al is het nog zoo hoog, tot op den grond,

Rudolph. Geen kwaad gereedfehap om eene non te ontvoeren! Ik zaljecns beproeven, wat ik vermag. Uw overlte begrijpt het wel I Honger kruidt de fpijzen, ftrijd den zegen! Morgen vroeg gaa ik in het klojster; zal de wooning der non uitvorfchen en dao mijn roof beginnen.

Den volgenden morgen trok Rudolph werkelijk naar het klooster. Hij bezoih de Abdis, en beloofde ook in 't vetvolg haar weldoener te zijn. Hoogvereerd door dit bezoek, ftelde zij alle kunst te welk, om haaren gast w.1 te onthaalen. Bij het middagmaal klonk in eene geflootene zijkamer muzi,k. Vro welijkeftemmen zongen daarin, cn ziclro rend, hart betooverend was boven al het gezang van tene eenige ftem, die eene harp begeleidde. Rudolph was geheel gehoor, geheel gevoel! Wie zingt zoo heerlijk ? Wie is vermoogend, oin zulke vloeiende toonen voordtebrengen ? Is het een engel of een mensch? vraagde de verrukte Rudolph.

Di Abdis. Het is een van uwe geestelijke kinderen, die uwe grootmoedigheid zoo rijkelijk befchonk. Het is de jongfte onder haar, begaaf 1 met alle eigen* fchappen, urn ecu man in de waueld gelukkig te rnaa-

ken*

Sluiten