is toegevoegd aan uw favorieten.

De recensent, of Bydragen tot de letterkundige geschiedenis van onzen tyd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Thomfbn's Jaargelden. 215

hv in haar zag," (om de krachtige uitdrukking van Dr. john'son door den Heere lublink aangehaald , ook hier te bezigen „ zag hy met zulk een oog, gelyk zy den dichter alleen

fc'henkt; gevoelde hv met eene ziel, die het groote omvatte, " en het kleine tot in dekleinfte deelen ontwikkelt." Hy hadt een diep gevoel van haare fchoonheden, en uit dat gevoel heeft hy dezelven befchreeven, Zyne verbeelding, hoe ongemeen ryk en weelig die ook ware, was altoos ondergefchiiit aan zyn oordeel; en zyne befchry vingen zyn niet minder raauwkeurig <»n der waarheid getrouw, dan fchoon en betooverend. Zyn Diclitkak is vervuld van de tederfte en edelfte gevoelens, welke de w?are, de natuurlyke uitvloeden blyken te zyn van een mensch'ievend en gevoelig hirt, en die zeer veel verfchillen van dat mengelmoes van gemaaktheid en klaagend verwyft geteem, waar mede dewae-, reld , zederd eenigen tyd, zoo dikwerf, ouder den naam van [eatimenfeeie gefchriften, als is verdrongen geworden. — Niet minder is ook onze Dichter bedacht om den leezer te leeren, dan om hem te vermaaken. Zyne wysgeerige aanmerkingen ftrekken ter opwekkiug beiden van nieuwsgierigheid, en van liefde tot weetenfchap, terwyl zyne zedenkundige en godsdienftige befchouwingen zóó Juist in zich zeiven zyn, en tevens door de betooveren-t de bevalligheid van hetbeminiykst dicht,zoo overfchoon worde» aanbevolen , dat zy niet naarlaaten kunnen om het hart te vermeesteren, en eenen geest van redelyke godsvrucht en liefde tot deugd in te boezemen.

Dan het wordt tyd om van den Dichter tot zynen Vertaaler aftedaalen; doch bevoorends den Heere L. in die betrekking te befchouwen, worden wyals geroepen om hem in een ander karakter te bezien ; dewyl wy ons verbeelden dat hy zyne Voorreden meerendeels tot eene Oordeelkundige Verhandeling over zynen Schryver gefchikt hebbe. Hy begint dezelve met den volgenden Latynfchen regel, welke even zeer naar waarheid gezegd, als dezelve door een dagelyksch gebruik afgefleeten is:

Aut prodesfe voluut, aut delectare, poetae.

En, „ zonder uit te pluizen, waarop het hier meest aankomt," merkt hy aan, „ dat men wel zal willen toeftaan, dat die Dichter „ het beste aan zyne verplichting beantwoordt, welke beide dee„ ze oogmerken tracht te bereiken, en zyn' leezer tevens te ver„ maaken en te onderwyzen." Hadt de Heer L. de Dichtkunde, van Moratius tien regels verder ingezien, zoo zou hy deeze aanmerking ook aan den wettigen eigenaar hebben kunnen toeichryven, en tevens het genoegen fmaaken , van zyne verhandeling met eenen anderen Latynfchen regel optefieren, welke vooral niet minder is afgebezigd geworden dan wel de voorgaande,— Na eenige 0 4