Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maandlyksche katalogus, Mengelwerken, &c. $0$

„ het geheele boek van Ezechiel. De verborgen dingen zyn voor

den Heere, de duisteren voor den geleerden; om 'er zo mêe „ te leeven, als zy dat onder elkander goedvinden, als zy'ermy „ maar het hoofd niet mêe breeken, want daar bedankt Abraham ,, Blankaart hartlyk voor. Ik ben me: myn euangelisch deeldub„ beid te vreeden.

„ Van David hou ik al heel veel. 't Is waar, hy had fterke f) driften, die hem 't leven vry zuur maakten; maar hy was toch

oprecht met God; en dat is het waare: doch hy is zo oud „ Joodsch, dat hy de vreemdelingen noch lugten noch zien kon,

„ en daarom hoewel ik ook krachtig op myn vaderland ge-

y, fteld ben lees ik nooit zyne Vloekpfalmen, waar in hy

„ wenscht, dat God alle zyne vyanden verdelge, en hunne kin„ dertjes aan de fteenrotzen. . . . foei,foei! ik, ouwe gek, ben

zo teerhartig, dat ik dien wensch niet geheel kan uitfchryven! „ Liever hoor ik van hem ,dat hy zegt: ik hebbe gezondigd, maar

„ wat hebben deeze fchaapen (dit volk) gedaan? Evenwel,

„ David was driftig, en wat ftoot men in drift niet al uit? Maar „ onze dominé Smit heeft my wel eens in bedenken gegeeven , ,, of deeze pfalmen ook profetiën waren? En dan heb ik 'ervre* „ de mee, want ik weet wel hemelsch vast, dat de goede God

rechtvaardig en bermhartig is, groot van genade en goedertie,, renheid, die gaarn vergeeft, en in wiens handen ik alle kinde„ ren van den geheelen aardbodem zo gerust aanbeveel, als aan

hunne eige moeders.

„ In den brief aan den Hebreeuwen lees Ik heel druk; en het „ zy Paulus die fehreef, of een ander man, dit is zeker, de „ fchryver is doorkundig, ja een verziend, geleerd chisten; die „ van doen, hoepen, lyden en ver draagen wist; en de onuitdruk„ keiyke hooge waarde van Christus boven al het gefchapene regt „ levendig gevoelde. Voor al, heb ik een magtigen zin aan de „ inleiding. O, daar kan ik, als ik 'er myn oogen inflaa, niet Vl raakkelyk affcheiden, en dan zeg ik zo al by my zelf hee„ le gedeeltens van die fchoone inleiding, en van de opwekkende „ vermaaningen aan de christenen van dien tyd, op. Maar veele „ dingen, als daar zyn van Melchifedek, en zo voords, d arver„ fta ik niets van; en laat dit ook al over voor de geleerden; „ want ik heb 'er, als een eenvoudig man, niets het minde aan. „ Alle de brieven van den lieven Johannes lees ik met nut, die ,, hy aan de zeven gemeinten in klein-Afien gefchreven heeft; „ zo als die door zynen verheerlykten vriend en zaligmaakerhem

v zyn in de pen gelegt. Maar wat de gezichten en de zeven

„ phiolen aangaat, dat is my te geleerd. Ik betuig niet te kun„ nen zien, in de hoeveel/te periode wy nu leeven; of watver„ vuld is, of uog moet vervuld worden, lk denk in zulke gele-

gen.

Sluiten