is toegevoegd aan uw favorieten.

Oordeelkundige bybelverklaring. Of, De eere en waarheid der godlyke openbaringe van het Oude en Nieuwe Verbond.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

S5

Oplosfmg der zwarigheden in de

de dagen der befchryving na de verbanning van Archelaus, wierp een zeker Judas uit Galilea zich

tot

migen, dat niet Gamaliël van Theudas molding gemaakt; maar dat Lucas het bericht daarvan by deeze gelegenheid voorloopig in zyn verhaal ingevoegd hebbe. Maar, wat voor oogmerken kon hy toch hebben . om van eene gebeurtenis te fpreeken, welke in de gefchiedenis der Apofteien in 't geheel geenen invloed had , en daarby zelfs het getal der aanhangeren van deezen Bedrieger zo naauwkeurig te beftemmen? Nog minder kan men beweeren, dat Gamaliëls Reedevoering werklyk zo veele jaaren laater gehouden zy, hoewel Lucas, zonder de juifte tydorde waarteneemen , dezelve op de onrechte plaats bybrengt. Dat Josephus daarin gedwaald zou hebben, om den Stichter en Aanvoerder van eenen op. ftand, in zyne jeugd voorgevallen, Theudas te noemen; is ook niet waarfchynlyk.

Maar zou het dan eene zo gantfeh uitgemaakte zaak weezen, dat Lucas en Josephus van eene en dezelve gebeurtenis fpreeken? By alle overige gelykvormigheid, komen toch werklyk gewigtige verfcheidenheden voor in de omftandigheden. De aanhang van den eerften Theudas beftond maar uit vier honderd perfoonen; maar die Van Josephus rokkende rot r*tïe~9ra> »^a«» op, eene geweldige menigte volks op. Die kwam, zonder dat men nocdlg had, geweld tegen hem te gebruiken, om 't leeven, veelligt door eenen van zynen eigen aanhang. Deeze werd door de ruitery van Fadus,tegen hem uitgezonden , gevangen genomen en onthoofd. De aanhang van den eerften werd enkel verftrooid; maar van dien van den laatflen veelen gedood of gevangen genomen. Wat belet het derhalve, dat niet binnen den. tyd van omtrent veertig jaaren twee bedriegers zouden opgeftaan zyn , die beiden den zeer gemeenen naam Theudas gedraagen hebben; van welken de laatfte veelligt een zoon des eerften geweeft is? Men wendt wel voor, dat Okigenes, die nogthans den vyandlyken Celsus toeftaat, dat 'er verfcheidene geweeft zyn, die zich voor den Mesfias uit hebben gegeeven, den tweeden Theudas weggelaaten heeft, niettegenftaande hy de fchriftelyke berichten zorgvuldig doorgezien had. Libr. I. contra Celsum pag. 44. Quoniam magna veritatis Jiudio fmgulos kees examinavimus, di-

cimus