is toegevoegd aan uw favorieten.

Oordeelkundige bybelverklaring. Of, De eere en waarheid der godlyke openbaringe van het Oude en Nieuwe Verbond.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

n6 Oplosfing der.zwaarigheden in de

eindelyk, exabrupto, zeer onverwacht, beginne; den hoogen Raad der Jooden te fchelden, hen verraaders en moordenaars van Jefus Chriftus te noemen , en hun de ovèrtreeding der wet te verwyten. En dat aldaar het Bewys ten einde fchyne te zyn, en niets meer te ontbreeken, dan het Q. E. D. het welk te betoogen was.

Dan hoe hoonende deeze bitfe Spotter der godlyke ingeeving van Stephanus zich by dit voorftel ook uitdrukt; zo is nogthans in deeze gantfche Reedevoering werklyk niets te vinden , 't welk daartegen ftryden zou. En kan men wel vermoeden , dat men een bloot gefnap, waarin terftond in den beginne openbaare en allen in de oogen ftraalende hiftorilche misdagen voorgekomen waren, zo lang met geduld zou aangehoord hebben? Niet Stephanus, maar Petrus was de eerfte, die by het bewys der opftanding van Jefus Chriftus, zich op zekere Schriftuurplaatfen des Ouden Teftaments beriep (q). Over het algemeen ging ook zyn oogmerk niet eigenlyk daarheen, te bewyzen, dat Jefus werklyk van den dooden op was geitaan, •ndegodsdienft, door hem gepredikt en ingevoerd, de waare was; maar tegen zyne Befchuldigers aantetoonen, dat hy geene lafterlyke woorden tegen Mofes, God, den Tempel en de Wet uit had gefprooken (qq). Men befchuldigde hem gezegd te hebben: Dat Jefus van Nazareth deeze plaats ver. Ireeken, en de zeden, door Mofes overgeleverd, ver. anderen zou. Daar ontkende hy nu niet, zodaanig iets werklyk gezegd te hebben; gaf ook genoegzaam te verftaan, dat hy van de Opftanding van

Jefus

(f) Hand. II: 25, 34. CjO Hand. VI; 13.