Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Handelingen der Jpoftelen. Hoofdft. XXX. 237

niet ontzegd was, tot het geloof gebragt wierden. 't Is wel waar, de ongeloovige Jooden zochten de gemoederen der Heidenen tegen de nieuwbekeerde Broederen te verbitteren en kwaalyk gezind te maaken; waarfchynlyk, door de overreeding, dat zy den overgang van zo veele Lieden tot eenen anderen Godsdienft niet zo gelaa&en konden en moeiten aanzien.

Doch, desniettegenftaande gingen de Apofteien een' geruimen tyd voort, hier hunne bezigheden te verrichten , ftellende hunne leer met groote blydfchap, en in een vaft vertrouwen op den Heere en zyne hulp vrymoedig voor: die ook aan de waarheid van het verkondigde woord zy»er genade door menigvuldige tekenen en wonderwerken, welken zyne Almagt door hen verrichtte , een omverwerplyk getuignis gaf. Nogthans waren de Inwooners der ftad in hun oordeel, wat zy van hun zouden denken, in twee partyen verdeeld. Sommigen ftemden de ongeloovige Jooden toe; maar anderen konden den Apofteien (ra), wier voorftel door zulke krachtige wonderwerken beveiligd werd, hunne goedkeuring niet weigeren. Door

verCn) Zo wel hier, als ook naderhand vers 14. wordt ook Barnabas bv de Apofteien geteld; welken hy alleenlyk daarin niet volkomen gclykvormig was , dat hy, gelyk het fchynt , den opgeftaanen Zaligmaaker niet gezien had. Anders arbeidde hy met Paulus aan een en hetzelve werk; was van God onmiddelyk geroepen, Hand. XIII: 2,3., had even hetzelve bevel om zich daarnaar te gedraagen. ontvangen, vers 46 en 47., bezat ook hetzelve recht als de andere Apofteien, i C0R.IX.-4-7., werd ook door de Apofteien voor hunnen amptgenoot en mede-Apoftel erkend; Gal. 11: 9., en had teffens, gelyk zy, eenen hulpgenoot op zyne Reizen by zich, die hem ter hand ging. Hand, XV; 39.

Sluiten