Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den kan, en de Heere, bidde ik, doe ze U ontmoeten!

Dit alléén wil ik U onder het ooge brengen, dat er geen Goddelyke Wet is, die U gebiedt aan een' Bedelaar te geeven, terwyl gy in een Land woont, alwaar de Armen werk, of onderhoud kunnen krygen.

In den Joodfchen Burgerftaat waren geen Bedelaars bekend: de aart der MoLïfche Wetgeevinge was ook zoodaanig, dat er byna geen Be.lelaars konden weezen. De tegenwoordige Jooden zelfs, hoe zeer afgeweeken van de inzettingen der Wet, hebben nog geene Bedelaars onder hen: Men veragt en verguifr. dit ongelukkige Volk fchier overal, maar men behoorde er ten minften van te leeren , dat yder Lid van die Natie, zoo lang hy kan, zyn eigen brood eet, en men moet verwonderd liaan over de bekrompenheid, maar mede een arm Joodfch huisgezin zich weet te behelpen. In den tyd der omwandelinge van onzen Zaligmaaker fchynen er Bedelaars geweeft te zyn in het Joodfchs Land, 't geen aanduidt het verval waar in de Wetten van Mofes voor de Armen gemaakt, toen waren: Het waren nochtftans •

Sluiten