Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE WAERELD. [April 1770] 59

de vier kanoos kwamen naar binnen van her. visfchen. Degeene die *er in waren , gongen aan land en hunne boot op den wal gehaald hebbende , begonnen zij hun middagmaal klaar te maa-» ken, naar allen fchijn zig onzer in het geheel niet bekreunende, fchoon wij minder dan eene halve Engelfche mijl van hun af waren. Het kwam ons aanmerklijk voor dat van alle diegeene , welke wij van het volk tot dus verre gezien hadden, geen een den minden fchijn van klcedij had, zijnde zelfs de oude vrouw ontbloot van een vijgenblad.

Na het middagmaal wierden de floepen bemand en wij verlieten het fchip , iupu met ons neemende. Wij waren voorneemens te landen daar wij het volk zagert , en begonnen te hoopen dat, naardien zij zig zoo weinig bekreund hadden dat het fchip de baai in zeilde , zij 'er even weinig tegens zouden hebben dat wij aan land kwamen; maar hier in vonden wij ons egter bedrogen; want, zoo dra wij de klippen naderden , kwamen twee van het volk dezelve af onl ons de landing te betwisten, en de overige liepen weg. Elk van de twee ftrijdende was gewapend met eene lans, omtrent tien voeten lang, en een' korten ftok , dien hij behandelde als een werktuig , waarmede hij de lans moest bellieren of werpen. Zij riepen ons toe met eene zeer luide ftera , en in eene harde wanluidende taal, van B 2 welke

Sluiten