Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE WAERELD. {April 1774] 231

Eindelijk voor de haven, die wij zogten, gekoomen zijnde, tragteden wij 'er in te draaien, terwijl de wind 'er regt uit woei; dan, alzoo 'er hevige rukwinden van dit hoog land kwamen, vattede een van deeze ons juist zoo als wij bezig waren over ilaag te gaan, deed het fchip weder afvallen en, voor het voor den wind gedraaid was, verfchilde het maar enige roeden of het wierd aan lij tegens de klippen gedreven. Dit noodzaakte ons naar zee te houden en eenen gang te loefwaart te doen , waarna wij weder op de haven aan hielden, en, zonder het weder te beproeven van 'er in te draaien, ankerden wij in den mond van de baai op vier en dertig vademen water, met eenen fraaien zandgrond. Wij hadden naauwlijks het anker laaten vallen of omtrent denig of veertig van de inboorlingen kwamen in tien of twaalf kanos naar ons toe; maar het vereischte enige behendigheid om hen aan het fchip te doen koomen. Eindelijk liet het volk in eene van de kanos zig door een bijltjen en enige groote fpijkers overhaalen om tot onderden fpiegel te vaaren, waarop alle de andere met hunne kanos aan het fchip kwamen en, enige broodvrugt en visch voor kleine fpijkers en andere kleinigheden geruild hebbende, vertrokken zij naar wal, zijnde de zon reeds onder. Wij zagen dat 'er in de boeg van elke kano een hoop fteenen lag en dat elk van hun eenen fiinger om zijne hand had gewonden (3).

P 4 De

Sluiten