Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ii8 LIEDEN.

2,66—368. Leezen moet volgen, 368, maardit is eenonaangenaame oefFening voor geringe lieden, 369, 370. Des moet men met de kinderen beginnen, en hen behoeden tegen den

afkeer van leezen, 370 374. Maar zal

men 't verftand van volvvasfen geringe Lieden verbeteren, het leezen blyft een goed middel j maar de hindernisfen moet men uit den weg

ruimen, 374 '376. Men~heeft gebrek aan

Boeken voor de geenen, die onder de geringen nog wel zouden willen leezen, 376, dan dat kan weggenomen worden door een Genootfchap, dat kleine Schriften, naar de vatbaarheid van 't gemeen gefchikt, fchryven moest,

377 381, welken de Regeering behcoi-

de goed te keuren, 381 , waaruit veel goee's zou kunnen voortkomen, 381, 382. De onkunde der geringe Lieden moet men aan der Ouderen onbekwaamheid tot het onderwyzen der Kindeien toekennen, 382, 383, ook aan de onbefchaafdheid der Meisjes, die trouwen, 383 , 384. Dienstbooden moesten ook tot leezen worden aangefpoord, 384, 385, en een fonds opgerigt tot het koopen van goede boeken voor zulken , die daartoe geen geld hebben , 385 , 386. Andere wegen moest men inilaan, om hen tot 't verftand van den Godsdienst te leiden, de gebreken der Catechismusfen verbeteren, en de Predikaatfien berer inrigten , ?86 391. Hierop behoorden andere pooiiingen te volgen, 391, 39a. Maar hoe zal men, na dit alles, het Hart verbeteren ? 393. Vooroordeelen moeten eerst vallen, Z9Z~r~~395> en daarna verfoeing in-

ge-

Sluiten