Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van MOSES. Hoofdd. XLIV. 409

tij. 34. Joseph heeft zeker zo levendig dat verdriet niet voorzien^ dat zijn Vader hebben zou; Mj zou 'er anders zo fterk niet op gedaan hebben: hij heeft zeker op dat oogenblik, toen hij den eisch deedt om Benjamin; zo vér niet gedacht.

Zó veel moeite kostede het ons, dien Jongeling mede te krijgen, dat ik zelfs voor hem bij mijnen Vader heb moeten inftaao; ik bezwoer hem, dat hij vrij voor altoos, zijne gramfchap, zijne wraake aan mij koelen mogte, indien ik dien Zoon van zijne tedere liefde niet mede bragt.

Edelmoedige Vorst! als gij dit alles overweegt, gun mij dan deze éene bede: laat ik, in plaatfe van dezen Jongeling, uw Slaaf zijn; doe met mij wat gij wilt; alleen geef hem zijne vrijheid weder.

Het is mij toch onmogelijk, zonder hem te rug te keeren. Het naar gekerm, en het grievend verwijt van mijnen Vader, zou geheel ondraagelijk voor mij zijn: ik durfde nimmer weder onder zijne oogen verfchijnen.

vs. 32. Want uw knecht is voor dezen jongeling borg bij mijnen vader, zeggende, zo ik hem tot u niet weder brenge, zo zal ik tegen mijnen vader t'allcn dagen gezondigd hebben.

vs. 33. Nu dan,laac toch uwe knecht voor dezen jongeling mijnes Heeren Haaf blijven: en laat de jongeling met zijne broederen optrekken:

vs. 34. Want hoe zoude ik optrekken tot mijnen vader, indien de jongeling niet met mij w*re? op dat ik den jammer niet zie, welke mijnen vader overkomen zou.

Sluiten