Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

r

boek

VII Hoofdft. naC.G. Jaar 33.

En het

getuigenis van

josefus.

14a KERKELIJKE

tertullianus niet te verdenken , als of hij deze bijzonderheid verdicht had. Te weten, wanneer de Christenen zich beriepen op de berichten van pilatus aan tiberius , en de Heidenen daar op zwegen, hebben de eerden ligtelijk kunnen beduiten, dat deze berichten verëerend waren voor jesus ; dit befluit werd, gelijk het gaat, allengs als waarheid voortgeplant, met bijvoegzelen vermeerderd, en dus door tertullianus , en op deszelfs gezag, door eusebius overgenomen. ( * )

Het ander getuigenis nopens jesus , waar van wij fpreken moeten, is dat van josefus, den Joodfchen Gefchiedfchrijver, (f) het welk van dezen inhoud is. „In dezen tijd leefde ook jesus, een wijs man, „ indien men hem een' man mag noemen; want hij „ verrichtte geheel vreemde en wonderbare werken, ,, en was een leeraar van menfehen, welke geneigd „ zijn, de waarheid aan te nemen, zoodat niet al„ leen vele Jooden, maar ook Grieken, hem aan,, hingen. Deze was de christus ; en niettegen„ ftaande pilatus hem , op de befchuldiging der „ aanzienlijkden onder ons, tot den kruisdood ge,, doemd had; evenwel hielden zij , die hem eens „ liefgekregen hadden, niet op, hem hoog te ach„ ten; trouwens, hij vertoonde zich weder aan hun

„ ten

(*) Men zie, over deze acta of berichten van pilatus, venema Tom. III. Hist. Eccl. pag. 548-549. lilienthal Oord. Bijbelverkl. XVI. Deel. Bladz. 119. enz. schutte Heil. Jaarb. III. Deel. Bladz. 14. volg,

(f) J. Oudh. XVIII. 3-3.

Sluiten