is toegevoegd aan uw favorieten.

Algemeene kerkelijke geschiedenis, der christenen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

344

kerkel Ij k ë

I

BOEK XII

Hoofdft. naC.G. Jaar 100.

1 1 ( i i <

2 1

d v

i

£

timotheus en titus , in welken hij de hoedarrisw heden opgeeft, die hij, in zoodanige beftuurers delKerk, verè'ischt, dan Opzieners, dan Oud ft en of Ouderlingen genoemd. De benaming van Opziener QEpisec-pos, waar uit het woord Bisfchop gemaakt is,) geeft den aait van hun ambt of bediening tc kennen, het opzicht te hebben over de belangen der gemeente, en toe te zien, dat derzelver welzijn en vrede niet gehoord worde, door leere of zeden, die met den geest van het Christendom onbeftaanbaar waren; gelijk de naam Oud/?e of Ouderling, een naam, die ook in de Joodfche Sijnagoge in gebruik was, hunne eerwaardigheid en deftigheid aanduidt. Zij zijn dus geene Opzieners of Bisfchoppen , in len Kerkdijken zin, die magt hadden, om leerftuk<en voor te fchrijven , of verbindende Wetten te naken; veel min, dat elke gemeente Hechts éénen soodanigen Bisfchop zou gehad hebben, dien eenige neerderheid boven zijne mede - opzieners zou heb>en toebehoord. Deze eerfte Apostolifche Kerk weet iok niet van Oudften of Ouderlingen, in dien zin, n welken dc Protcftsntfche Kerk, na de Hervorning, eene afzonderlijke klasfe van opzieners, onder [ezen naam, heeft aangefteld. De benaming van Opieners en Oudften heeft , in de Apostolifche fchrifen, betrekking tot het bef uur der gemeente, fchoon iv onder hen ook waren , die tevens arbeidden in e leere, dat is, die het ambt van leeren en onderwijzen tevens waarnamen i timoth. V. 17. Zooanige Opzie.ers en Ouderlingen of Oudften zijn, elijk wij boven (Bladz. 184.) gezien hebben door

de