Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M E N G E L P O E Z IJ. iu

Op 't kale rotsgebergte, in zwijgende eenzaamheid? Wat klaagt gij, als de wind, die, huilend door de blaaren,

Het flingeréhdé woud met zijn gejoel ontzet? Wat vloeit ge in water weg, gelijk de zilvren baren,

Die de opgeruide vloed op 't eenzaam ftrand verplet ?

A L P IJ N.

Mijn tranen zijn voor hun, die niet meer ademhalen,

Mijn klaagtoon is voor hem, die de enge kluis befluit, Wees rijzig op 't gebergt', bevallig in de dalen,

Eens zult ge als Morar zijn en worden 't graf ten buit. De heuvlen zullen u en uwe ftem vergeten,

Die thands zoo klinkend fchalt in't woeste Jachtgedruisch, En, met de pees daar afgereten,

Uw handboog werkloos zijn in uw verlaten huis,

Snel waart ge, ö Morar, als een ree in 't vlak der dalen ;

Vcrfchriklijk, als een vuur, dat zich door 't zwerk verfpreidt. Uw gramfchap was een ftorm; uw zwaard, als blikfemftralen,

Als weerlicht aan de kim bij 's avonds aakligheid: Uw ftem, een' ftroom gelijk, door regen opgezwollen;

H 5 Ja,

Sluiten