is toegevoegd aan uw favorieten.

Mengelpoezy.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MËNGELPOEZIJ. Hf

De vijand kwam , gelijk een bergftroom, op ons Horten. Men hoorde 't Haal op Haal, en fchild op fchilden horten. De mengling van gefchreeuw, geklikklak van 't geweer * Was ijslijk wijd en zijd door 't wederzijdfche heir. 't Was niets dan blinde woede in algemeen bedwelmen. De fpeeren klonken hol op maliën en helmen. De zwaarden fchaarden op de beuklaars, half doorklooft!* De pijlen zweefden ons al fisfende over 't hoofd. \ Rumoer was als 't geluid dier ijsfelfjke ftormen, Die 't eeuwenheugend woud in vlakke hei hervormen j Wen duizend Geesten faam, in dolheid opgebracht De dammen uit den grond ontworden bij den nacht. Als eindlijk 't gunftig lot mij Uthal deed ontmoeten. Wij ftrijden, en hij valt' doorftoten aan mijn voeten; De zijnen vlién. 't Was toen, dat ik zijn fchoonheid zag; De traan hong in mijn oog, daar hij verdagen lag. „ Gij vielt, ö jonge Telg, met al uw Lentelover! (Dus weende ik over hem) en wat, wat blijft u over! Gij vielt, en 't veld bleef naakt, dat roem droeg op uw fchoöri i Het Windtjen ruischt niet meer door uwe bladerkroon!

K 2 Hdf