Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mijn Aagje lief! hoe fchielijk moest gij lijden,

Na 't morgenrood van opgerezen vreugd. Tj kwam een frorm, die eiken velt, beftrijden,

En floeg al 't loof van uw ontloken jeugd, 'k Zag foms op u ... met nauw bedwongen traanen:

En dagt: „ ö God! waarom die drank zo wrang! „ Zal dan haar zou nooit moede zijn van tanen;

„ Of volgt voor haar het hanger flegts op bang ? „ Zij heeft met hem, dien wij nu faam beweenen,

„ Zo veel getorst, om hem zo bang getreurd; „ Ach werd haar tent door uwe zon befchenen!

„ En 't hart, door druk bezweken, opgebeurd!

Toon haar en mij, bij 't zien der hooge wegen,

„ Waar langs gij haar, een bange weduw, leidt; ,, Dat blijvend heil wordt in dat fpoor verkregen;

„ En dat het eind eens zijn zal: zaligheid.' „ Gij tog alleen zijt wijs! wijf enkel dwazen!

„ Gij goed, ook daar, waar 't oog flegts flrengheid ziet.

't Is fchijn, waarop wij, fteeds kortzigtig, azen:

„ En op de fehelp zien wij de paerel niet."

Ja, Aagje lief! de kelk is uitgeledigd! Verbroken ligt de fmeltkroes van verdriet,

Uw

Sluiten