Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over MATTH. XII: vs. 18. 19

krygen,men het aardsch-Vaderland wel dienen moet. Is dat onverfchilligheid voor't zelve inboezemen; is dat ons van 't zelve los maaken ? Het is 'er zo verre van daan dat het Euangelie ons den moed neêrwerpt , dat in tegendeel, wanneer het ons den Hemel tervergelding onzer poogingen aanwyst (*), het ons die beproefde ftandvaftigheid, die edelmoedige aankleeving inboezemd, welke ons aanzet om den Godsdienst en de wetten van ons Vaderland te verdedigen ; die ons op de bres doet ftormen , en ons verpligt goed noch bloed te fpaaren , om voor het nageflacht dit dierbaar vertrouwd-goed te bewaren. In wien zal men des noods meer waare dapperheid vinden dan in waare Chriftenen, welken door't Euangelie zeiven weeten, dat de opofferingen die zy'c algemeen welzyn doen, dienden zyn aan God bewcezen;dat eene dubbele kroone hen wagt,kroonc der eere op de aarde, kroone der onfterfelykheid in den Hemel ? Men oordeele nu of de Chriftelylce Godsdienst, met de voorfpoed eens Staats ftrydig zy (f).

BE-

(*) Zie de roerige noot D. V. (t) Zie, CF. We ge nek. Bewysenz. IH. u Afd. §• 39- 136. D. V.

B 2

Sluiten