Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE V R IJ E GODSDIENSTV1IEIR

SY*. 4S.

En ah zij hem, weg leidden, namen zij eenen Simon van Cyrenen, komende van den akker, en leidden hem het kruis op, dat hij het agter jesus droeg. En eene groote meenigte van volk , en van vrouwen volgden hem: welke ook weenden en hem beklaagden. En jesus zich tot hun keerende, zeide: Gij dochters van Jerufalem, weend niet over mij, maar weend over u zelven, en over uwe kinderen. Want ziet daar komen dagen, in welke men zeggen zal: Zalig [zijn] de onvruchibaren , en de buiken die niet gebaard hebben, en de borften die niet gezoogd hebben. Als dan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons; en tot de heuvelen: Bedekt ons. Want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre gefchieden ?

luc. XXIII: 3.6 — 31.

'S HEILANDS GROOTMOEDIGHEID OP ZIJNEN WEG NA GOLGOTHA.

Hoe zeer ook pilatus geen fchuld aan jesus vindende, alles hadt aangewend, om zich van hem te ontdoen en op vrije voeten te ftellen, zoo werdt de meenigte hoe lang zoo meer tegen hem verbitterd; verdubbelde haare befchuldigingen, en drukte zich op eene wijze en in eene taal eindelijk uit, welke pilatus noodzaakte om den onfchuldigen jesus te veró'ordeelen. Hoewel hij zich meende te kunnen verzekeren, dat wanneer hij, bij alle be1. Yy tui-

Sluiten