Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voortreflijkh. der menfch. natuur. 21

gelden, dat het geen Hem ten deel wierd, voltrekt niemand kon ten deel worden, zoo deelde Hij andere menfchen ook van zijne wijsheid, en van zijne kracht, en van zijne Jiefde mede, op dat ook zij, als evenbeelden van God fpreeken, werken, verdraagen en zich verheugen konden. Uitdrukkelijk en meer dan eens zegt Hij ook: dat zijn Euangelie voor de

ganfche waereld was, dat het niet alleen zijn

wil was, dat zijne eerjie vereerders zoo verhoogd wierden, maar ook alle, die door hun woord in Hem zouden gelooven. En zijne vrienden verzekeren ons, dat wij kinderen van God zullen zijn, gelijk Hij de Zoon van God is; — dat wij tot erfgenaamen van God beiïemd zijn, zoo als het kind beftemd is, om den erfgenaam van zijnen Vader te worden. Zijn Geliefdfte op deeze aarde, Joannes ftelt ons de ganfche grootheid van Jefus voor, en zegt ons dan : wij zullen Hem gelijk worden, want wij zullen Hem zien gelijk Hij is. Met Hem oordeelen, met Hem heerfchen, zoo als Hij, den Vader nabij zijn, elk naar zijne maate, zo als Hij, vreugd genieten, die nooit in het hart van een mensch kan opkomen; —-Dit is, volgens den Bijbel, onze groote beltemming! —

§• 5-

En fchoon deeze zijne beftemming is, zoo moet het toch niemand bevreemden , dat de mensch thans noch zoo onwijs, zoo zwak, zoo liefdeloos is, dat men dikwijls zoo weiniggelijkvormigheid aan God, zoo weinig gelijkvormigB 3 heid

Sluiten