Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BUUR ENPR AATJE. 247 GRIETJE.

Memchl ik wierd zo kwaad, zo kwaad, Dat ik eerst geen woord kon fpreeken; 'k Voelde myn gezicht verbleeken.

'k Smakte 't fchildery op ftraat,

*k Had haar haast in haar gezicht, In een haastigheid, gevloogen, Maar die kwezel kneep haar oogen

Toe, cn hielt haar fnater digt.

Eindlyk zei zy: „'t is verkeert, „ Dat je lui -om alle zaaken „ Je zóó vreeslyk boos kunt maken,

„ Dat de drift je als overheert:

„ Maar ik zie wel waar 't jou fcheelt, „ 't Uithangbord moest waerelds wezen, „ Niets word van zulk volk geprezen,

„ Dan dat ydelheid verbeeld ".

Q 4 't Moest

Sluiten