Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( » )

'k Vly nry, dan aan uw' Zetel neêr, Vol eerbied en erkentenisfen; Nooit zullen we uit ons harte wisfchen,

Uw weldaên, gunstryke OpperheerI 'k Durf my, ootmoedig, onderwinden, Uw groote Deugden en uw' Lof Te heffen tot aan 't ftarrenhof; Daar Gy ons hebt doen ondervinden Dat Gy, van uwen Troon, verhoorde ons ftil gebed, En, wonderdaadiglijk, mijn Vader hebt gered!

Ja, Gy, menschlievende Albehoeder! Hebt ons op nieuw uw hulp betoond; Gy hebt, genadiglijk, verfchoond, Mijns Vaders Zoon, mijn' dierbren Broeder;

Hy, door een kommervol gezwel, Vol wreede fmerten aangegreepen, Gevoelde 't hart door angst beneepenj Maar zie! uw Goddelijk bevel, Geeft eenen enklen wenk en rukt hem uit gevaaren; Daar Gy de hand beftuurde in Heelkunst zoo ervaaren.

Ont-

Sluiten