Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DANKOFFER aak GOD, enz. 145 Toen knielde ik dankbaar, Groote God|

Voor u, by uwen Zetet, neder; 'k Aanbad uwe almacht in myn lot,

En voelde uw vaderliefde teder! Die liefde alléén hadt my behoed——. Bewaakt — geleid in tegenfpoec;

Ach! leer me U eeuwig dankbaar weezen J Mooge, als natuur myn oog ontzinkt, Als achter 't graf myn leeven blinkt, Myn ziel erkennend ü; als haar verlosfer, vreezen! —

Wanneer, by 'slevens avondftond, Myn tong flechts ftaamlend kan beweegen. Wanneer verwoesting zweeft in 't rond. Dan vliege U nog myn danklied tegen! — Moog, by het eind der fterfwoestyn, De erkentenis myn doodfnik zyn! -» En, gun eenmaal, Almachtig Vader.' Dat mynen geest, in bfyder oord, Waar niets der zaalgen heil verftoord, Uw throon, geheel gevoel — geheel erkennend, nader! K

Sluiten