Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over HAND. VIII. $. 33

alle toegenegenheid, onderzoekende dagelyks de fchriften, of deze dingen alzoo zyn. Dan moeten zy, die de waarheid verkondigen, in ftaat en gewillig zyn, om zulken te recht te helpen, om tot het rechte verftand daar van tegeraaken. Wanneer Philippus van een' Engel des Heeren gelaft was te gaan tegen het zuiden, naar den weg die van Jerufalem afdaalt naar Gaza, endaar zag eenen Kamerling van de Koninginne der Mooren, die den Propheet Jefaias las, vraagde hy denzelven: Verftaat gy ook het gene gy leeft? En Umd.^ wanneer hy openhartig antwoordde: Hoe zóU> JJ^J de ik toch kunnen, zoo my niet iemand onderrecht? en vervolgens vraagde: Ik bid u, van men zegt de Propheet dit? van zich zeiven, of van iemand anders ?. zoo deed Philippus zynen mond open, en beginnende van die zelve fchrift, wees hy hem aan wie hy was, die van den Geeft bedoeld wierd.

Is nu het uitleggen der heilige fchrift mede het werk eenes dienaars van het Euangelie, hoe kan hy dan anders dan Chriftus verkondigen, die de voornaame inhoud is van de ganfche heilige fchrift? want of hy Mofes onderneemt te verklaaren, of de Propheetcn, of de Euangeliften, of de Apoftelen, alom zal hy Chriftus ?{ ^ ontmoeten, die al van ouds zeggen kon: J»8.

de rolle des boeks is van my gefchreven. Slaat hy Mofes op, hy vindt daar zeer merkwaardige

voorzeggingen van een zaad der Vrouwe, 't welk 1 Mof.

de fiange den kop zou vermorzelen; van een zaad ^ ^J-

Abrahams, in 't welk alle volken der aarden ~*0k-xxii.lg> q den

Sluiten