is toegevoegd aan uw favorieten.

Twee- en dertig bedestonden, verhandelende den aart [...] van het gebed [...] met toepassingen, dankzeggingen en gebeden naar de merkwaardige omstandigheden van [...] de jaaren 1747 en 1748.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

452 XXI. BEDESTONDE

vaart en, die van de onzen van God te bidden. —• Ik oordeel, dat onze Hooge Overheid dan niets, 't geen aan eenen Christen wanvoegelyk is, van ons eischt; wanneer zy wil, dat wy om tydlyke voordeden , jaa zelfs om het behoud van onze Runde' ren, God zullen bidden.

Gy hebt gééne reeden nog verplichting, om myne meening ofte myn oordeel in deezen, enkel op myn woord, aan te neemen. Ik benfchuldig,reedenen van myne gedachten te geeven, en deeze zwarigheid uit den weg te ruimen.

Met deze verhandeling zal ik myne voorbaande Voor-affpraaken en inzonderheid myne laatfte, in de Bedeftond gehouden over het Bidden voor dem-wélfi'and van ons Land, zoeken te bevestigen; ieder Uwer ade twyfeling hierover trachten te beneèmen ; en zelfs ons eene nadere handleiding voor ons in het byzonder te geeven.

De man naar Gods hert, de Koninglyke Propheej David, gaat ons in zoodanig bidden, als ik zegge,' dat ik voor geoorloofd en billyk houde, voor*.

Hy zegt:

Pfalm LXXXVI. 15, 16*, 17.

vs. 15. Gy, Heere God , zyt barmhartig en genadig, langmoedig en van groote goedheid en trouwe.

vs. 16. Wend u tot my, zyt my genadig, fterk uwen knegt mbt uwe magt; en help den zoon uwer dienstmaagd.

vs. 17.